Meditatie

Meditatie – Gezegend geleide
“Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten” Hebr. 13:5b

Wat het nieuwe jaar dat we zijn ingegaan brengen zal, weten we niet. Maar wat kunnen we elkaar beter toewensen, dan dat we mogen reizen in de gegronde wetenschap, dat het Woord dat boven deze meditatie staat geschreven onze bron en kracht van leven is.

Wij willen u echter niet met dit Woord op reis sturen in de zin van “alles komt wel terecht.” Nee, wie de heerlijke vruchten van dit koninklijk getuigenis der genade genieten zal, die heeft geleerd en ingeleefd dat het veel meer voor de hand ligt dat het “niet” uit deze tekst wordt weggenomen, zodat het dus wordt: Ik zal u begeven en verlaten. Het was toch recht geweest als God in het paradijs Zijn schepsel had losgelaten en had laten wegzinken in de eeuwige dood.

En wie eerlijk voor God wordt zal dit ook moeten erkennen. Ten opzichte van zijn persoonlijke leven, het leven van ons volk en de volkeren. Hebben we daarvan al eens iets ingeleefd? Dan verstaan we dat dit getuigenis van “niet verlaten en niet begeven” als een wonder Gods Kerk in de oren klinkt. Want het is vrucht van enkel genade. Vrucht van het indalen in de algehele Godverlatenheid van Sions Borg en Middelaar. Hij is in de helse verlatenheid afgedaald, opdat de Zijnen nimmermeer van God verlaten zouden worden.

Ja, zelfs in hun geestelijke verlatingen trekt de Heere Zich niet geheel meer terug van de Zijnen. Hij staat altijd achter de muur, tot hun heil en hulp gereed. Ja, zegt de dichter, dan nog hoorde Gij naar de stem van mijn smekingen, als ik tot U riep (Ps. 31:23). Wie onder het zegel van het bloed van Christus ligt, zal met Gods ganse Kerk nimmer verlaten zijn. Door het geloof in Christus alleen kunnen we door de Heilige Geest honing uit deze kostelijke bloem halen. Dan mogen we dit getuigenis, als geschreven op de wanden van ons hart, meenemen het nieuwe jaar onzes Heeren door.

Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten. Kom, laat ons eens zien, wat er zoal in dit heerlijke Woord zit opgesloten. Laat ons eens enige plaatsen naslaan, waar de Heere Zijn Kerk met dit getuigenis heeft geschraagd. De apostel wijst immers op getuigenissen in het Oude Testament, waar deze woorden uit de mond des Heeren gehoord worden.

Dan willen we eerst de geschiedenis van Jakob opslaan. We zien hem eenzaam zijn weg gaan op de vlucht voor zijn broer Ezau. Eigen, dwaze voorbarigheid klaagde hem aan. Moede en moedeloos, terwijl er geen vrede van binnen is, heeft hij zich neergelegd onder de blote hemel en van uitputting is hij in slaap gevallen. Maar zie, daar bezoekt de Heere Jakob in zijn grote nood. Bij het gezicht van de ladder, die hemel en aarde verbindt, hoort hij zijn God, voor Wie hij het toch geheel bedorven had, spreken: Ik ben de God Abrahams, en de God Izaks. Dit land waarop gij ligt te slapen zal Ik u geven en uw zaad zal wezen als het stof der aarde. En zie, Ik ben met u en Ik zal u behoeden overal, waar gij heen trekt en Ik zal u wederbrengen in ditzelfde land, want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben, hetgeen Ik tot u gesproken heb (Gen. 28).

Hoe heeft de Heere dit Woord vervuld. Jakob heeft moeten boeten voor zijn zonde, maar ook juist daarin maakte de Heere Zijn Woord waar. Jakob is overvloedig gezegend met kinderen en goederen en mocht ter bestemder tijd weerkeren naar het land van zijn vaderen.

Indien we de Heere vrezen, zullen we hierin ons beeld vinden, maar ook tot onze troost gelijk Jakob, in al onze noden diezelfde God ontmoeten. Zijn wij ontrouw, Hij is getrouw en waarachtig. In zes benauwdheden zal Hij bij u zijn en in de zevende zal u het kwaad niet aanroeren.

We zoeken naar een tweede plaats, waar de Heere dit heerlijke Woord gesproken heeft en vinden het in Deuteronomium 31, waar we lezen: Weest sterk en hebt goede moed, en verschrikt niet voor hun aangezicht, want het is de Heere uw God, Die met u gaat. Hij zal u niet begeven, noch u verlaten.

Hier richt de Heere Zich, door de mond van Mozes, tot de strijdende Kerk, inzonderheid tot de voorhoede die het ‘t zwaarst heeft. Houdt moed, zo roept hij haar toe. De overwinning is gewis. Kanaän zal zeker in bezit worden genomen. Alle vijanden zullen het stof lekken.

Zo roept de Heere het nog Zijn Kerk toe. Zijn Israël mag niet moede worden. Ze hebben hulp besteld bij een sterke Held. De meerdere Jozua gaat voorop. Als hun Doorbreker zal Hij voor hen uitgaan. Sihon en Og zullen worden ten onder gebracht. Ach, wat zullen nietige schepselen doen tegen zo’n overmacht?! Wat is de Kerk in deze vijandige wereld?

O, maar u kent toch wel het Woord des Heeren: Ik zal voor u strijden en gij zult stille zijn. Stil zijn, dat is: het zwaard des Woords opnemen, afziende van het onze en ziende op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs. Zo de strijd aan te binden tegen wereld, zonde, eigen vlees en de geestelijke boosheden in de lucht. Zij zullen het uiteindelijk moeten verliezen en Sion zal de kroon der overwinning dragen door Hem Die voortgaat, overwinnende en opdat Hij overwon.

We ontmoeten dezelfde uitspraak nog weer in Jozua 1 vers 5: Niemand zal voor uw aangezicht bestaan al de dagen uws levens, gelijk als Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn, Ik zal u niet begeven en zal u niet verlaten. Hier wendt de Heere Zich tot Zijn dienaar. Jozua moet het volk leiden. En wat voor een volk?! Dat kan zwaar op het hart drukken. Maar: Ik zal u niet begeven. O, dan wordt het licht en goed, als ons oog maar mag rusten op Hem, Die ons ook in het afgelopen jaar niet beschaamde.

We moeten eindigen, doch willen dit niet doen dan na eerst nog gewezen te hebben op ditzelfde troostrijke getuigenis voor de ellendigen en nooddruftigen, die mogelijk denken dat zij eenzaam en alleen dit jaar in en door moeten. Sla Jesaja 41 eens op! Wat lezen we daar in het zeventiende vers? De ellendigen en nooddruftigen zoeken water en daar is geen. Hun tong versmacht van dorst. Ik de Heere zal ze verhoren en Ik de God Israëls zal ze niet verlaten. Ik zal rivieren op de hoge plaatsen openen en fonteinen in het midden der valleien.

Roept u uit de diepte tot God? Hoor ik u klagen: Eenzaam ben ik en verschoven? Hongert en dorst u naar de gerechtigheid in de pijn van een groot gemis in uw hart? Wij laten u alleen met dit woord: Ik de Heere zal ze verhoren. Ik de God Israëls zal ze niet verlaten. Daarom zal het worden: De Heere hoorde mij en redde mij uit al mijn benauwdheid.

We wensen u allen voor dit nieuwe jaar de voortdurende overweging van dit tekstwoord toe. Daarbij mogen we bedenken dat de sleutel van dit schatkistje gevonden wordt in de besprenging van het bloed van Christus op ons hart.

Ds. J. van Sliedregt (1914-1973) in leven Hervormd predikant